Achtergronden Bètaonderzoek

Ethologie

Sigrid de Jong

Wat is ethologie?

Ethologie is de studie van het gedrag van dieren. Ethologie is een subvak van biologie en heeft zelf geen deelgebieden. Het is een klein en nieuw vakgebied. De ethologie bestudeert zowel het gedrag van dieren als van mensen. De mens wordt gezien als één van de diersoorten en daarom valt de studie van het menselijk gedrag ook onder de ethologie.

De term ethologie is voor het eerst gebruikt in de negentiende eeuw door de Franse zooloog Isidore Geoffroy Saint Hilaire. Dezelfde term is voor het eerst in de moderne betekenis als de studie van het gedrag van dieren gebruikt door de Amerikaanse zoöloog William Morton Wheeler (1865 - 1937). Dat was in 1902.

Ethologie is afgeleid van de Griekse woorden ethos en logos. Ethos betekent karakter en logos betekent leer, het betekent principe of leerstelling. Van het woord logos is ook het woord logica afgeleid. Het woord ethiek is ook van ethos afgeleid. Er is een verband tussen de woorden ethiek en ethologie. Ethiek gaat over hoe mensen zich gedragen en ethologie is de studie van het gedrag van dieren en mensen. In plaats van ethologie word ook wel de term diergedrag af gedragsbiologie voor dit vakgebied gebruikt.

 

Geschiedenis

Het gedrag van dieren wordt al heel lang bestudeerd. Aristoteles observeerde al het gedrag van dieren. Het onderzoek naar het gedrag van dieren was altijd een onderdeel van de biologie.

Aan het eind van de 18e eeuw gingen Engelse en Duitse zoölogen het gedrag van dieren diepgaander bestuderen. De bekendste onderzoeker die zich in de 18e eeuw met het onderzoek naar het gedrag van dieren bezig hield was Charles Darwin (1802-1882). Hij schreef in zijn beroemde boek "The Origin of Specis" dat de grondlegging vormde van de evolutie theorie, een hoofdstuk over het gedrag van dieren. Hij noemde het gedrag van dieren instinkt.

Douglas Spalding deed interessante observaties aan kuikens. Het gedrag dat hij observeerde zou later inprinting genoemd worden. Inprinting is dat gedrag aangeleerd wordt door waarnemingen vlak na de geboorte. Het eerste wat kuikens zien bewegen na hun geboorte zien zij als hun moeder en daar lopen ze achteraan.

In het begin van de twintigste eeuw werd het gedrag van dieren onderzocht in de context van leren door de Rusische psycholoog Ivan P. Pavlov (1927) en de Amerikaanse psycholoog Edward Thordike (1911). Pavlov en Thordike onderzochten het conditioneel leren. Pavlov is bekend van zijn onderzoek naar honden. Deze honden gingen kwijlen op een stimulus die ze aan voedsel relateerden. De honden hadden geleerd dat als er een bel ging dat ze dan voedsel kregen en ze gingen al kwijlen als ze de bel hoorden omdat ze het geluid van de bel en het krijgen van voedsel aan elkaar koppelden.

In het midden van de twintigste eeuw werd de studie naar het gedrag van dieren een apart vakgebied, de ethologie.

De grondleggers van de moderne ethologie zijn de Nederlander Niko Tinbergen, de Oostenrijkers Konrad Lorenz en Karl van Frisch. Zij kregen in 1973 de Nobelprijs in medicijnen voor hun onderzoek in de ethologie en het ontwikkelen van de ethologie als een zelfstandig vakgebied. Dit is de enige Nobelprijs in de hele geschiedenis die aan onderzoek in de ethologie of aan ethologen is uitgereikt.

Tinbergen was een experimentator, hij deed veel veldonderzoek en laboratorium experimenten. Hij bestudeerde het gedrag van veel verschillende dieren in het vrije veld waaronder stekelbaarzen en de sluipwesp. Lorenz was filosofisch en theoretisch ingesteld. Hij maakte een theoretisch model van de verschillende aspecten van gedrag zoals evolutie en motivatie. Karl van Frisch onderzocht de bijendans waarmee bijen met elkaar communiceren.

 

Biologie of psychologie?

In het begin van de ethologie was er wetenschappelijke rivaliteit tussen Europese ethologen en Noord Amerikaanse experimentele psychologen. De ethologen zien diergedrag als een biologisch fenomeen. Gedrag is instinkt en ze refereren naar de aangeboren componenten van gedrag. Deze componenten zijn onderdeel van de natuurlijke selectie. De Amerikaanse psychologen bestudeerden de effecten van leren op gedrag. Torndike bestudeerde leerprocessen die nu bekent staan als operationele conditionering. Ethologen bestuderen dieren van vele verschillende soorten in hun natuurlijke omgeving, terwijl psychologen zich concentreren op één soort die ze uitgebreid bestuderen in een laboratorium.

 

Behaviorisme

In 1930 ontstond het behaviorisme door initiatie van de Amerikaanse psycholoog Jhon B. Watson (1878 - 1958). In het behaviorisme worden psychologische fenomenen beschreven als fysieke activiteiten, of te wel als gedrag in plaats van mentale gebeurtenissen. Watson stelde dat het onmogelijk is om wetenschappelijke uitspraken te doen over wat er in iemands hoofd omgaat. Volgens het behaviorisme kunnen psychologen alleen de fysieke manifestaties in de vorm van gedrag onderzoeken. Volgens behavioristen is psychologie de studie van gedrag en de externe fysieke factoren die het gedrag beïnvloeden.

Behaviorisme had een grote invloed op de wetenschap en de maatschappij. Het was in Amerika de dominante school in de psychologie. Het beïnvloede ook de educatie. Watson stelde dat hij elk gezond normaal kind kon opvoeden tot elk willekeurig beroep. Later bleek natuurlijk dat dit niet zo is. Opvoeden van kinderen werd gezin als een objectieve en wetenschappelijke exercitie zonder de noodzaak van affectie en sentimentaliteit.

Een student van Watson: Frederic Skinner (1904-1990) paste behaviorisme toe op de studie van het leren. Leren werd gezien als het veranderen van relaties tussen visuele entiteiten en niet wat er in het hoofd van het dier gebeurt. Leren was een instrumentele conditioneren met een zekere respons bij het dier op voedsel. Een voorbeeld hiervan is de pavlov reactie. Zijn honden gingen kwijlden als ze een bel hoorden of een lamp zagen omdat ze dit koppelde aan het krijgen van voedsel.

De experimentele psychologie reageerde op het behaviorisme met de cognitieve psychologie. Deze begint met de aanname dat individuen, zowel mensen als dieren, een mentaal leven hebben dat onderzocht kan worden. De psycholoog Donald Broadbent (1958) analyseerde leren en geheugen in termen van cognitieve mechanismen in plaats van stimulus response reacties. Cognitieve structuren zijn het zelfde als de oorzakelijke structuren van Lorenz en Tinbergen.

 

De vier waaromvragen van Tinbergen over diergedrag

Een belangrijk onderdeel bij het onderzoek naar het gedrag van dieren is de vraag waarom een dier zich gedraagt zoals het zich gedraagt. Niko Tinbergen onderscheidde vier manieren om deze vraag te beantwoorden. In 1963 publiceerde hij een belangrijk paper waarin hij de waaromvraag naar het gedrag van dieren verdeelde in vier onderdelen. Dit zijn de beroemde vier waaromvragen naar de oorzaak van dierlijk gedrag van de ethologie geworden. Het zijn vier vragen omdat je de oorzaak, het waarom van dierlijk gedrag op vier verschillende manieren kunt beantwoorden.

De vier waaromvragen zijn:

De eerste waaromvraag gaat om de onmiddellijke voorgeschiedenis. Een vogel zingt als gevolg van een opeenvolging van zenuwimpulsen en spiersamentrekkingen tijdens of vlak voor het zingen.

De tweede waaromvraag gaat over de ontwikkelgeschiedenis van het gedrag. De vogel zingt omdat hij dat heeft geleerd van zijn vader.

De derde waaromvraag gaat over de zin van het gedrag. Wat is de functie van het zingen van de vogel? Wat bereikt hij ermee? Met zingen lokt hij een vrouwtje of weert een mannetje. Als de voorouders van de vogel op de juiste manier zongen maakten ze een grotere kans om zich voor te planten en zo werden deze zanggenen doorgegeven aan volgende generaties. De derde vraag gaat over de waarde van het gedrag voor het overleven, dus de functie van het gedrag.

De vierde waaromvraag gaat over de evolutie. De vogel zingt omdat het in zijn genen zit die zijn doorgegeven door vorige generaties. Deze vraag gaat over wat er in de evolutie aan vooraf ging. Dit gaat om het evolutionair ontstaan van het gedrag.

 

Apen onderzoek

In de jaren zestig stimuleert de antropoloog Louis Leakey het onderzoek van in het wild levende primaten. Hij is er van overtuigd dat dit onderzoek het beste gedaan kan worden door vrouwen vanwege hun aangeboren empathie. Volgens hem zijn vrouwen geschikter als bemiddelaar tussen apen en mensen en zouden mannelijke apen ze minder gauw als rivalen beschouwen. Zijn eerste en bekendste onderzoekster was Jane Goodall die chimpansees bestudeerde. Daarna bestudeerde Dian Fossey Gorilla's en Biruté Galdikas orang-oetans. Alle onderzoeksters observeerden de apen jaren lang en werden door de apen geaccepteerd.

 

Jane Goodall

In 1960 begon Jane Goodall met het bestuderen van het gedrag van chimpansees. In datzelfde jaar observeerde ze dat een aap een gereedschap gebruikte om mieren uit een termieten heuvel te halen. Tot dan toe was het onderscheid tussen mensen en dieren gedefinieerd als het gebruik van gereedschap. Alleen mensen gebruiken gereedschap. Sindsdien bleek dat chimpansees veel vaker gereedschap gebruikten en dat het gebruik van gereedschap voor chimpansees een normaal gedrag is.

Jane Goodall gaf de chimpansees die zij bestudeerde namen in plaats van nummers. Het was toen in de wetenschap gebruikelijk om dieren die bestudeerd werden nummers te geven, net zoals het gangbaar was om niet over emoties te schrijven. Toen zij haar eerste artikel wilde publiceren kreeg ze het teruggestuurd en waren alle namen veranderd in nummers en alle emoties er uit gehaald. Goodall was woedend, veranderde alles weer terug en stuurde het opnieuw in en het werd gepubliceerd.

Goodall beschreef het logisch denken en de gevoelens van chimpansees. Dat schokte de wetenschap omdat in het wereldbeeld van die tijd alleen mensen gevoelens hadden en logisch konden denken.

De strikte verschillen tussen mensen en dieren vervaagde. Kenmerken waarvan men dacht dat alleen mensen die hadden en die hen daarom onderscheidde van dieren vervaagde steeds meer. De mens wordt nu gezien als één van de soorten en er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen mensen en dieren. Onderzoekers geven nu de dieren die ze onderzoeken namen in plaats van nummers. Het gedrag van de chimpansees wordt nog steeds bestudeerd.

 

Onderzoeksmethodes

In de ethologie worden dieren meestal in het wild bestudeert omdat dieren in het wild hun natuurlijke gedrag vertonen. In gevangenschap vertonen dieren ander gedrag. Om het gedrag van dieren te bestuderen observeren onderzoekers het gedrag en noteren de tijd die aan een bepaalde gedraging wordt besteed en de volgorde van gedragingen. Een vaste volgorde van gedragingen is een gedragssysteem. Om het gedrag van dieren te bestuderen moeten onderzoekers vaak jaren naar de dieren kijken omdat niet alleen gewacht moet worden tot een dier een bepaald gedrag vertoont maar ook omdat datzelfde gedrag meerdere keren geobserveerd moet worden om met elkaar te vergelijken. Om te voorkomen dat de dieren een bepaald gedrag vertonen als er even geen onderzoeker kijkt moeten ze continu geobserveerd worden. Het gedrag wordt niet alleen genoteerd maar ook gefilmd met beeld en geluid.

Een andere onderzoeksmethode van het bestuderen van gedrag is het aanbieden van kunstmatige prikkels om te kijken hoe het dier daarop reageert. Deze prikkels worden zo aangeboden dat de onderzoeker erachter komt welke prikkel essentieel is voor het aanzetten tot een bepaald gedrag. Een roodborstje gaat vechten als hij een ander roodborstje ziet maar ook als hij een bosje rode veren ziet. Hij reageert dus op de rode kleur.

 

Hot topics

Gedragsecologie

De gedragsecologie is in de jaren zeventig ontstaan uit de combinatie van evolutionaire ecologie, populatie ecologie en ethologie. In 1975 publiceerde de entomoloog Edward O. Wilson "Sociobiology: The New Synthesis". Deze publicatie is de geboorte van de sociobiologie. Wilsons boek was gebaseerd op populatie genetica en evolutiebiologie. Het bevatte fitness en verwantenselectie. Sociaalgedrag kan zeer goed begrepen worden aan de hand van de evolutie van altruïsme en sociale groepen. Dit is de evolutionaire benadering van sociaal gedrag. De gedragsecologie benadert alle gedrag evolutionair en de sociobiologie is een onderdeel van de gedragsecologie.

De evolutionaire ontwikkeling van gedrag kan gezien worden als een optimalisatie van datzelfde gedrag. Van elk gedrag kunnen de kosten en de opbrengsten geanalyseerd worden. Veel gedragsinteracties worden verklaard door de evolutionair optimalisatie van de kosten en de baten.

Deze evolutionaire kostenbaten analyse wordt nu toegepast op foerageren, vechten en habitat selectie. De evolutionaire benadering van communicatie levert interessante onderzoeksvragen over het ontwerp van signalen en hun functies.

Seksuele reproductie wordt niet meer gezien als een meewerkend risico tussen mannen en vrouwen. De studie van matingsystemen, partnerkeuze en conflicten tussen gelijke sekses ontwikkelen snel in de evolutionaire ecologie. In de evolutionaire studie van sociale groeperingen wordt het ontstaan van altruïsme en coöperatief gedrag bestudeert.

 

Neuroethologie en cognitieve neurowetenschap

In de neuroethologie worden de mechanismen in de hersenen en de neuronen die ten grondslag liggen aan gedrag onderzocht. De toenemende kennis over de hersenen zoals de fijne morfologie en hoe de neuronen met elkaar verbonden zijn maken de studie van de interactie tussen hersenen en gedrag mogelijk.

In de beginjaren van de neuroethologie werden de neurale mechanismen van de perceptiebeweging in insecten bestudeerd. Tegenwoordig worden de hersenmechanismen van gedrag van hogere cognitieve processen zoals leren, geheugen en ruimtelijke oriëntatie bestudeerd. Voor deze studie worden vaak de termen gedragsneurowetenschap en cognitieve neurowetenschap gebruikt. In dit onderzoek worden nieuwe technieken zoals elektrofysische opnamen tot moleculaire analyse van RNA reeksen gebruikt. Hierdoor kan de connectie tussen neuronen en gedrag dieper uitgezocht kan worden.

 

Cognitieve ecologie

De relatie tussen hersenen en gedrag wordt ook vanuit een evolutionair standpunt bestudeerd. Het vermogen van dieren om informatie te verzamelen en te verwerken wordt sterk beïnvloed door de ecologie. Een voorbeeld hiervan is dat seksuele selectie van zangvogels leidde tot de ontwikkeling van diverse en complexe liederen. Hoe beïnvloed evolutionaire druk op complexe vogelzang de evolutie op de onderliggende neurale structuur? beïnvloed het hebben van een groot territorium het navigatie vermogen? Zorgt de noodzaak op het bewaren van voedsel voor selectieve druk op het ruimtelijke geheugen? Cognitieve ethologie bestudeert het mentale leven van dieren.

Zo is er onderzoek naar het maken van gereedschap door dieren. Kraaien maken bijvoorbeeld zelf gereedschap zoals haken om aan voedsel te komen.

 

Dieren welzijn, natuurbehoud en evolutionaire psychologie

Veel mensen zijn geïnteresseerd in het welzijn van dieren. Dieren leveren een belangrijke bijdrage aan de maatschappij en het bestuderen van het welzijn van dieren kan een bijdrage leveren aan de maatschappij. Diergedrag onderzoek wordt gebruikt om ethische vragen over dieren te beantwoorden. Zoals hoe voelen dieren zich die gehouden worden in de veeteelt? Is de behuizing te klein of de dichtheid van de dieren te groot? Is de kennis verkregen met experimenten op dieren belangrijk genoeg om het gebruik van proefdieren te rechtvaardigen?

De bevolkingsgroei en de economische ontwikkeling leiden er toe dat veel diersoorten met uitsterven bedreigd zijn. Hierdoor neemt het onderzoek naar de problemen in het behoud van dieren sterk toe. De manier waarop een dier reageert op de verandering van zijn leefomgeving door de invloed van de mens en dus zijn overlevingskansen zijn afhankelijk van zijn gedrag, sociale organisatie mating systemen en vermogen tot innovatie. De studie van diergedrag kan een bijdrage leveren aan het behoud van de biodiversiteit.

De studie van het gedrag van dieren kan veel inzicht geven in het gedrag van mensen. Fenomenen die bij dieren worden waargenomen kunnen op mensen gegeneraliseerd worden. Kennis van hoe een dier leert kan toegepast worden op het leren bij mensen.

 

Ethologie in Nederland

Er zijn in Nederland acht afdelingen waar ethologisch onderzoek gedaan wordt. Deze afdelingen bevinden zich op vijf universiteiten en op één onderzoeksinstituut, namelijk het Nederlands instituut voor ecologie (NIOO) in Heteren. Dit onderzoeks instituut heeft een werkgroep populatiebiologie van dieren. Groningen heeft een afdeling gedragsbiologie en een afdeling dierenecologie, Leiden heeft een afdeling gedragsbiologie, Utrecht heeft een afdeling gedragsbiologie en een afdeling ethologie en dierenwelzijn, Wageningen heeft een afdeling ethologie en de VU Amsterdam heeft een afdeling ontwikkeling- en gedragneurobiologie.

 

Ethologie in Groningen

Bij de diergedrag afdeling in Groningen lopen de volgende onderzoeksprojecten: ontogenie, sex-allocatie, energie, slaap, circardian programma's, braintime en annimals@work.

 

Ontogenie

Ontogenie is de ontwikkeling van de embryo. naast de genetische variatie zorgt deze vroege ontwikkeling voor variaties in het gedrag van dieren. Dieren hebben verschillende dierpersoonlijkheden en verschillende copingstijlen.

De functionele consequenties van interactie tussen genen en andere, interne en externe, factoren op de vroege ontwikkeling wordt onderzocht. Wat merk je van verschillende ontwikkelingstrajecten en onthogenetische aanpassingen op de ontwikkeling van verschillende aangepaste gedragsstrategieën in de volwassen dieren? Wat is de interactie tussen vroege sociale ervaring en gonadale hormoonniveaus op de gedragsontwikkeling. Bij vogels worden de yolk steroïde hormoonniveaus bepaald door de moeder en haar gedragsconditie en dit hormoonniveau beïnvloed de gedragsontwikkeling van de embryo. Dit is een niet-genetische maternale (moederlijke) overdracht van variatie in gedrag.

Maternale endocriene overerving voegt een niet-genetisch element toe aan de evolutionaire theorie en daarmee aan de algemene natuur of cultuur discussie over de bronnen van variatie in menselijk gedrag. De ontogenie van copingstijlen is belangrijk voor ons begrip van menselijke copingstijlen.

 

Seksallocatie

Alle investering die een ouder in het nageslacht steekt wordt de ouderlijke investering genoemd. Deze ouderlijke investering is bij elke soort geoptimaliseerd. De optimalisatie van de ouderlijke investering wordt voornamelijk beïnvloed door de seksuele verschillen in de levensloopbaan. In extreme gevallen leidde dit tot controle van de ouders over de verdeling van de geslachten, dat wil zeggen dat er meer mannetjes of vrouwtjes zijn dan gemiddeld. Deze controle komt veel voor onder ongewervelde dieren maar is recent ook gevonden onder vogels. Het mechanisme dat dit veroorzaakt is nog niet bekend. In Groningen wordt de energie die nodig is voor de groei van deze vogels bestudeerd. De functie en de mechanismen van de vogelkundige seksuele verdelingscontrole wordt onderzocht.

 

Energie

Het dier heeft voor elk gedrag een bepaalde hoeveelheid energie nodig. Het diergedrag kan functioneel begrepen worden met een kostenbaten analyse voor reproductie, oftewel als de verwachte genenvoorplantingsnelheid door individuen met bepaald gedrag. Fitheid wordt bepaald door reproductie en overleven. Deze worden beiden beïnvloed door de snelheid van energieverwerving en verbruik door gedrag. Toename van werk in bijvoorbeeld ouderlijke investering kan leiden tot hogere energie uitgaven of tot herverdeling van herstel processen van fysiek werk. Beide hebben hun weerslag op overleven. Volgens de levenssnelheid theorie wordt de verwachtte levensduur bepaald door de metabolisme snelheid. Deze theorie wordt onderzocht door de veronderstellingen van deze theorie te testen. Dit wordt gedaan door de energieomzetting experimenteel op verschillende manieren te manipuleren. Verplaatsing van de energie van het immuun systeem naar fysieke arbeid kan tot verslechterde conditie en vervroegde dood leiden. In deze context worden de energiekosten van expensieve gedragingen zoals vechten en zwemmen en leven in extreme omgevingen bestudeerd.

 

Slaap

De lengte van de levensduur wordt onder andere bepaald door de reparatieprocessen die de negatieve gevolgen van het metabolisme terug zetten. Slaap is het laatste algemene gedrag waarvan de functie nog niet bekend is en is daarom de ultieme grens in de gedragsbiologie. De functie en de regulatie van de slaap wordt onderzocht. Het tweeproces model van de timing van de slaap geeft voorspellingen die onderzocht worden. De relatie tussen mentale moeheid en slaap en de fysiologische functies van de REM en de niet-REM slaap worden getest. Dit onderzoek van de slaap wordt vooral op mensen gedaan. Bij dieren wordt de relatie tussen de winterslaap en de gewone slaap en hun functionele consequenties op de hersenen onderzocht.

Inzicht in de slaapfunctie heeft grote implicaties voor het begrijpen en de therapie van menselijke slaapafwijkingen. Menselijke dagnachtritme organisatie is belangrijk voor de sociaal-medische implicaties in de 24-uurs economie.

 

Dagnachtritmes

Dierlijk gedrag is ritmisch voorgeprogrammeerd volgens kosmische cycli zoals dagnachtritme en de biologische klok. Het onderzoek richt zich op de controle op dit soort gedrag door centralezenuw pacemaker systemen en de aanpassende functie uitgedrukt door deze pacemakers. In hersenen van zoogdieren zitten bepaalde cellen, de suprachiasmatic nuclei (SCN) die de biologische klok op het externe lichtdonkerritme, dagnachtritme aanpassen. Deze cellen zitten in de hypothalamus en reageren op licht dat via de ogen binnen komt. Wat zijn de bijdragen van ritmisch gedrag aan de fitheid? Zijn individuele variaties in dagnachtritme, geassocieerd met genotype, leeftijd, nachtelijk-, dagelijks type en ervaring traceerbaar tot op pacemaker niveau? Hoe gebeurt de natuurlijke instap op dagnacht ritmes? De chronobiologische benadering gaat dieper in op de oorzakelijke mechanismen van gedrag dan andere gebieden van de ethologie. De moleculaire wortels van de aanpassing van het gedragsysteem worden onderzocht.

Inzicht in de dagnacht aanpassing is belangrijk voor de optimalisatie voor werken in shifts en van lichtbehandeling van stoornissen. Pacemaker programmering is relevant voor de vraag of de afname in amplitude van menselijk ritmisch gedrag met de leeftijd veroorzaakt wordt door de centrale pacemaker. De rol van SCN in geheugen is een relevant onderwerp voor het begrijpen van de afname van het geheugen met de leeftijd.

 

Braintime

Het algemene doel van het onderzoek is om een goed beeld te krijgen van de biologische klok en entrainment. Entrainment is het beïnvloeden van de hersenen met geluid- en lichtsignalen. Het gaat om de grote overeenkomsten tussen mensen en dieren in de functionele organisatie en de moleculaire karakterisatie van het dagnachtritme. Mensen en muizen worden parallel bestudeerd. Dit onderzoek is essentieel voor het inzicht in de variatie van vroege en late chronotypes, de vroege vogels en de nachtbrakers en voor biomedische problemen met de aanpassing van de slaapwaak cyclus en de onderbreking daarvan.

 

Animals@work

Dieren betalen een prijs voor harder werken zoals jongen sneller voeren. De prijs die zij hiervoor betalen is een reductie van de overlevingkansen in de toekomst of een reductie van de reproductie. Deze ruil is een centraal concept in de evolutionaire ecologie, waar de ethologie een onderdeel van is.

Hard werken kost veel energie en door het verbranden van meer energie ontstaan meer zuurstofradicalen in het lichaam en deze radicalen veroorzaken stress. Antioxidanten beschermen tegen radicalen en door radicalen worden telomeren verkort. De hoeveelheid antioxidant enzymen en de verkortingssnelheid van de telomeren zijn een indicatie voor zuurstofradicalenstress of oxidatiestress. De zuurstofradicalenstress en de gevolgen daarvan worden bij gevangen vogels, namelijk zebra vinken en spreeuwen en vrij levende vogels, namelijk kauwen en koolmezen onderzocht.

In de toekomst wordt er onderzoek gedaan naar de gedragsconsequenties van hard werken zoals meer seksuele aantrekkingskracht, sociale dominantie en leerprestaties omdat hard werken op sociaal gedrag fitheid kost.

 

Bronnen

Word versie